Interview - Mathijs Poppe ('Ours is a country of words')

KASK-alumnus Mathijs Poppe heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt: met een tijdsduur van tweeënveertig minuten is zijn afstudeerproject Ours is a country of words net te lang om als kortfilm bestempeld te worden en net te kort om als langspeler door te gaan. Een middellange film dus, die bovendien ook nog eens gewaagd balanceert tussen fictie en documentaire. Het heeft hem echter geen windeieren gelegd. Na een selectie voor Film Fest Gent als ‘volwaardige’ langspeelfilm, mocht Poppe ook een VAF Wildcard ter waarde van €40 000 in ontvangst nemen.

Poppe’s docufictie speelt zich af in Shatila, een Palestijns vluchtelingenkamp in Libanon, dat ontstaan is in 1948 nadat duizenden Palestijnen hun land moesten ontvluchten. Vandaag de dag is het kamp een soort van sloppenwijk geworden. De droom van de Palestijnse vluchtelingen om ooit terug te keren naar hun heimat wordt in deze film plots werkelijkheid. Het levert een hybride essay op: een mix tussen droom en realiteit, poëzie en miserie.

We zaten met Mathijs neer in Brussel en hadden het over zelfkritiek, twijfel en… Shatila.

 

***

 

Proficiat met je Wildcard! Je hebt die gewonnen met dank aan Ours is a country of words; een hybride mix tussen fictie en docu. Je trok hiervoor naar Shatila. Hoe heb je de mensen daar leren kennen?
POPPE: Zeven jaar geleden ben ik voor het eerst naar Shatila getrokken om er als vrijwilliger te werken, nadat ik een Palestijnse jongen, Ayman, had leren kennen in Zwitserland. Hij kwam zelf van daar en wilde er een jongerencentrum oprichten. Shatila is een vluchtelingenkamp van één vierkante kilometer waar twintigduizend mensen moeten samenwonen die al heel veel trauma’s moesten verwerken. In 1982 vonden er bijvoorbeeld massamoorden plaats waarbij meer dan drieduizend mensen omkwamen. De jongeren groeien daar dus niet op in een rustige omgeving waar ze de tijd krijgen om zichzelf op een normaal tempo te ontwikkelen. Samen met een groepje vrienden zijn we naar daar getrokken om Ayman te ondersteunen bij het opzetten van zijn organisatie. Voor hem betekende het vooral dat hij internationale erkenning kreeg, zodat hij aan zijn eigen gemeenschap kon tonen dat ze er niet alleen voor staan.

Had je toen ook al een camera bij?
POPPE: Ik heb er toen ook gefilmd, ja. Mijn plan was om interviews af te nemen met de mensen van Shatila, maar dat is een lastig punt gebleken. Ik kreeg veel vragen: “Waarom ben je hier aan het filmen? Wat is je bedoeling? Wat kom jij hier doen?” Ik was slechts 19 jaar en ik wist ook niet goed hoe ik mij ten opzichte van hen moest verhouden. Bovendien stond ik daar plots met een camera, terwijl ik de taal niet sprak. Ik stelde me de vraag waarom ik mezelf het doel oplegde om van zo’n complex gegeven als het Palestijnse vraagstuk een soort synthese te maken, zonder de dieperliggende problematieken van het kamp echt te kennen.

Dat was voor mij zeer confronterend toen ik terugkwam. Kan ik dat wel als westerse buitenstaander? Waar ben ik mee bezig? Benader ik deze mensen op deze manier niet louter als slachtoffers van een politieke en humanitaire crisis? Met elk beeld en elke vraag duwde ik de mensen die ik had leren kennen – en die me zo gastvrij ontvingen – meer in die slachtofferrol, door steeds terug te grijpen naar de trauma’s van het verleden. Een rol die ze soms met verve vertolkten, maar niet de rol waarin ik hen als regisseur wou plaatsen. Het heeft vrij lang geduurd voordat ik vrede had genomen met het feit dat ik iets gedaan had zonder echt te weten waar ik mee bezig was.

Dan is er uiteindelijk toch iets veranderd?
POPPE: Inderdaad. Tijdens mijn opleiding aan het KASK had ik een gesprek met een vriendin waarin ik zelf die kritische bedenkingen daarover uitte. Zij counterde dat. “Is het ook niet mooi dat je tenminste iets probéért te maken op zo’n plaats waar mensen onderdrukt worden?” Dat heeft me terug doen nadenken over Shatila, want tegen die tijd had ik het idee om er een film te maken voor mezelf al lang opgeborgen. Het onderwerp en de plek bleven me tegelijkertijd ook aantrekken, waardoor ik op zoek moest naar andere manieren om hun verhaal te vertellen.

Dus je opleiding aan het KASK heeft geholpen om dat vraagstuk te beantwoorden.
POPPE: Klopt. Met dank aan enkele mensen in het bijzonder, zoals Stoffel Debuysere (Courtisane, Diagonal Thoughts), die bepaalde discours aanreiken waarin er kan nagedacht worden over politiek in film, het slachtofferbeeld en de verschillende manieren om met dat beeld om te gaan.

Waardoor je hebt beslist om terug te keren?
POPPE: Niet meteen. De jaren ertussen ben ik nog wel in Shatila geweest, maar nooit als regisseur. De keuze om met een camera terug te keren kwam later pas.

 


'Ours is a country of words'

 

Wanneer was het voor jou dan duidelijk?
POPPE: Op een bepaald moment was ik bezig aan een film over stiervechters in Portugal – eigenlijk moest dat mijn eindwerk worden. Ik volgde daarin Portugese gasten die zich volop smeten in die traditie en hun leven op het spel zetten in de arena. Ik ging mee naar de gevechten en de wilde feesten die erna plaatsvonden. Een superinteressante wereld, die machocultuur. Maar tegelijkertijd wrong er iets. Ik miste een politieke relevantie. Het idee van het maken van een film in Shatila bleef me achtervolgen. Ik zag in dat ik mezelf beperkte door de moeilijkheid van een politiek geëngageerde film te ontwijken. Toen besefte ik dat ik die moeilijkheid net wel wou opzoeken.

Je moest dus uit je comfortzone treden?
POPPE: Inderdaad, maar daar heb ik veel aanmoediging voor nodig gehad. Want als ik nu kritiek krijg over wat de film naar voren brengt – door de Palestijnse vluchtelingen te laten terugkeren naar hun land – dan besef ik weer waarom ik destijds zo hard twijfelde. Mensen kunnen gekwetst raken door mijn film en dat wil ik niet. Tegelijkertijd moet je soms een positie innemen. Dat is geen gemakkelijke overweging.
Ik heb daar veel steun voor nodig gehad, ook van mijn docenten zoals Elias Grootaers bijvoorbeeld. Daarbovenop komt ook nog eens de relatie met de mensen van Shatila; zij gaven mij bijzonder veel vertrouwen en enthousiasme.

Hoe verliep de samenwerking met de bewoners van Shatila dan anders in vergelijking met de eerste keer dat je er filmde?
POPPE: Het feit dat ik hen nu benaderde als acteurs gaf hen een volledig andere status. Neem nu bijvoorbeeld Abbas, de winkelier uit de film. Ik heb vele dagen doorgebracht in zijn winkeltje en gepraat met hem over zijn studies, de liefde, etc. Over vanalles, behalve over politiek of de Palestijnse kwestie. Toen we daarna in dialoog gingen over de film – waarover zal hij gaan? hoe gaan we hem maken? – maakte dat een wereld van verschil. Mocht ik mijn camera in zijn winkeltje hebben geplaatst en hem vragen hebben gesteld over zijn leven in Shatila, dan zou de uitkomst radicaal verschillend zijn geweest. Praten over zijn rol in het scenario zorgde voor een wisselwerking die noodzakelijk was, waardoor we als gelijken op zoek gingen naar de film die we samen wilden maken.

Maar tegelijkertijd behield je de rol van regisseur.
POPPE: Juist. Mijn thesis heette dan ook ‘De onwetende regisseur’, gebaseerd op Jacques Rancière’s ‘De onwetende meester’. Daarin schrijft hij dat leermeesters, die zelf niets weten van een onderwerp, hun leerlingen nog steeds kunnen begeleiden. Indien je mensen kan sturen, dan zullen ze het zelf wel vinden. Ik heb dat idee vervolgens doorgetrokken naar mezelf als regisseur in Shatila. Ik weet namelijk veel minder dan hen over de Palestijnse kwestie en hun bestaan als vluchteling. Bijgevolg ben ik wel degene geweest die hen aanstuurde, maar niet degene die de woorden uitschreef die ze moeten gebruiken om over hun situatie of de terugkeer naar Palestina te praten.

Bovendien was er ook nog eens de taalbarrière.
POPPE: Dat kwam er ook bij kijken. Ik kon onmogelijk uitschrijven wat ze moeten zeggen in een gesprek – met uitzondering van Jamals voice-over – want ik ken de taal niet. Wanneer de elektriciteit plots uitvalt, zeggen ze bijvoorbeeld ‘dawla’ (دولة), wat ‘staat’ betekent. Er zijn namelijk twee schakelaars: één met stroom van de generator, één met stroom van de staat. Overschakelen naar de stroom van de staat dus. Maar belangrijker dan het feit dat ik geen Arabisch spreek en dus de dialogen niet kon uitschrijven, was dat ze zelf hun woorden moesten zoeken om over Palestina en hun toekomst te praten. Woorden die ik niet voor hen kon bepalen.

Tijdens de opnameperiode begeleid je de acteurs dus door bepaalde situaties…
POPPE: (vult aan) … maar tijdens de montage verdwijnt die positie als ‘onwetende regisseur’ natuurlijk! Dat is een belangrijke kanttekening. Want dan heeft de regisseur, of monteur, alle touwtjes in handen. Dan moet je verantwoording kunnen afleggen voor je keuzes.

Halverwege de film worden we geconfronteerd met een verminkte man die naar de camera schreeuwt tijdens een betoging. Als kijker besef je dat je niet (meer) naar een fictiefilm kijkt. Wist je op voorhand dat je zo’n beelden nodig zou hebben?
POPPE: Nee, absoluut niet. Die beelden zijn eerder toevallig ontstaan. Ayman, de jongen van het jongerencentrum, nodigde me uit om naar de betoging te gaan kijken. Hij heeft me toen aangespoord om mijn camera mee te nemen, terwijl ik zelf niet per se een betoging wilde filmen. De confrontatie met de verminkte man was ook zeer bevreemdend. Enerzijds was ik daar niet om zo’n beelden te maken, anderzijds vroeg deze man mij om hem te filmen. Als je daar dan staat met je camera, wat doe je dan? Zeg je dan nee? Hij toont zichzelf op die manier opdat ook hij erkenning krijgt en zijn verhaal kan delen.

Dus je kon eigenlijk niet om dat shot heen?
POPPE: Tijdens de montage merkten we vervolgens dat het geheel wat te gezapig werd. Als we in klassieke termen nadenken over narratieve cinema, heb je immers conflict nodig. Ik wist op voorhand dat het conflict niet in mijn scenario zat, maar eerder in het feit dat de bewoners van Shatila hun terugkeer in scène zetten. De terugkeer is een fictieve situatie waarvan ze hopen dat hij ooit realiteit wordt, terwijl iedereen weet dat dat waarschijnlijk nooit zal gebeuren. Toen we die scène uiteindelijk toevoegden, veranderde dat de hele film op radicale wijze. Plots had de film urgentie en voelde je ook waarom Jamal, Abbas en Zayat willen terugkeren en Shatila willen verlaten.

 


Mathijs (rechts) bekijkt in Shatila de eerste rushes van zijn film.

 

Onlangs zag ik Colossal youth van Pedro Costa. De donkere steegjes en bouwvallige woonkamers van Fontainhas vertonen veel gelijkenissen met die van Shatila.
POPPE: Klopt. Maar neem een sloppenwijk eender waar ter wereld en de beelden zullen op mekaar gelijken.

Ook jullie werkwijze lijkt overeen te komen.
POPPE: Ik vind het moeilijk daar iets over te zeggen, want ik weet niet precies hoe Costa te werk gaat. De vergelijking snap ik ergens wel, omdat hij ook veel tijd doorbracht met zijn personages in Fontainhas. Maar hoe hij met Ventura films als Colossal youth en Horse money heeft opgebouwd, daar heb ik geen zicht op. Pedro Costa is uiteraard iemand waar ik bijzonder veel ontzag voor heb. Ik heb veel geleerd van zijn films, maar ik wil mezelf niet vergelijken met een cinemalegende als hem.

Zie jij jezelf - zoals Costa naar Fontainhas - terugkeren naar Shatila?
POPPE: Het is voor mij van essentieel belang is om de mensen van Shatila te blijven opzoeken. Als ik de mogelijkheid zou hebben om mijn hele leven films te maken, dan is de manier waarop ik aan Ours is a country of words heb gewerkt ook de manier waarop ik wil verdergaan. Ik heb een relatie opgebouwd met hen, we hebben samen een bepaalde werkwijze verkend en er is potentieel om dat werk verder te zetten. Onze samenwerking heeft nog zoveel progressiemarge, dat is geweldig interessant. Ik wil niet dat mijn werkmethode ‘een trucje’ wordt dat ik ga toepassen op verschillende plaatsen waar ik telkens weer van nul moet beginnen.

Ours is a country of words werd in Gent vertoond: niet in de Studentencompetitie, maar als volwaardige langspeler. Hoe was dat voor jou?
POPPE: Ik ben vooral blij dat het festival er een punt van heeft gemaakt om de film tóch te selecteren. Of dat nu in de competitie is of niet, dat maakt me niet zoveel uit.

Je hebt elke vertoning afgesloten met een Q&A; hoe zijn die verlopen?
POPPE: Ik heb daar voor het eerst gemerkt dat de film heftige emoties losmaakt bij het publiek. Zeker wanneer er mensen uit de regio naar de film kijken; mensen uit Palestina en Israël, maar net zo goed uit Libanon en Syrië. Zo had een vriendin van mij toevallig twee Syrische vluchtelingen meegenomen naar een vertoning. Gezien de ongelukkige tijdsduur van mijn film werd die voorafgegaan door een andere korte documentaire: Greetings from Aleppo, over het conflict in Syrië. Mijn film was echter dubbel zo lang en de twee Syriërs stelden zich bijgevolg – terecht – de vraag waarom de Palestijnse problematiek meer ruimte kreeg dan die van hen.

Er zit een enorme spanning zit op het onderwerp: vanaf het moment dat je iets op tafel legt, krijg je een spervuur aan reacties over je heen. Tegelijkertijd meen ik dat er juist meer op tafel gelegd móet worden. Dit zijn de mensen die ík heb leren kennen, waar ík iets mee heb opgebouwd, waar ík iets mee wil doen en vice versa. We hebben mekaar daarin gevonden. Dat sluit niet uit dat er nog zeer veel andere films gemaakt moeten worden die andere aspecten van dit complexe verhaal belichten.

Zo’n film zou je met je Wildcard kunnen maken.
POPPE: In januari keer ik terug naar Shatila om de film te tonen. Ik ga dan zeker samenzitten met Jamaal en co. Of er iets concreets uit de bus komt, zien we dan wel.

 


'Ours is a country of words'

 

Hoe ziet de toekomst voor Shatila eruit?
POPPE: De kans dat de situatie daar verbetert is klein. De reden waarom de Palestijnen nog steeds geen paspoort en weinig rechten hebben is omdat de situatie in Libanon zeer precair is. In Libanon is er steeds een evenwicht geweest tussen de christenen en de soennieten. Omdat het merendeel van de Palestijnen soenniet is, vrezen de christenen dat het evenwicht verstoord zal raken als ze de vluchtelingen rechten toekennen. De discriminatie tegenover Palestijnen is er bijgevolg enorm. Zolang die integratie in Libanon niet op gang komt, blijven de kampen afgesloten van de Libanese samenleving.

Het samenhokken van een gemeenschap die geen ontwikkelingsmogelijkheden heeft… Dat kan bijna niet goed komen. Heel veel mensen proberen er bergen werk te verzetten om de gemoedsrust te bewaren, maar helaas blijft dat waarschijnlijk niet houdbaar. Het is een bijzonder explosieve situatie. Tegelijkertijd blijft het optimisme van de mensen die ik in Shatila ken me verbazen. Er is een enorme strijdvaardigheid om, ondanks alle moeilijkheden, van het leven iets moois te maken.

 

 

Michiel Philippaerts