The New Norwave: het optimisme van de Noorse cinema

De Noorse cinema... Hoewel die het lang niet onverdienstelijk heeft gedaan in het verleden – met o.a. vijf Oscarnominaties waarvan er twee werden verzilverd – blijft het grote publiek meestal haperen bij die andere Scandinavische kleppers. Ter vergelijking: waar er sinds het nieuwe millennium amper zeven Noorse films hun weg naar de Kinepoliszalen vonden (volgende op de planning is de animatiefilm Pelle de Politiewagen rijdt weer uit, die met Kerstmis in de Belgische zalen komt), waren dat er voor buurland Zweden wel dubbel zoveel. En dan hebben we het nog niet over de alom geprezen Zweedse en Deense krimi-series die de voorbije jaren de dorst van de Vlaamse televisiekijker hebben weten te lessen. The Killing, Wallander, Borgen, … Toch bieden de Noren een cinema die niet hoeft onder te doen voor die van hun Scandinavische collega’s.

Dat u de schrikwekkende nazizombies van cultfilm Dead Snow (2009, Tommy Wirkola) misschien links heeft laten liggen, valt nog door de vingers te zien. Maar in 2012 was het haast onmogelijk om naast Morten Tyldums Headhunters te kijken: niet enkel was het de succesvolste film in de geschiedenis van Noorwegen zelf, ook in de rest van de wereld was de thriller - over een duo kunstrovers dat z’n zinnen op een kostbaar schilderij heeft gezet - een hit. Op het Norwegian International Film Festival mocht de film vier Amanda’s in ontvangst nemen. De Noorse versie van de Academy Award, zeg maar. En internationaal was Headhunters goed voor onder andere de Bafta voor Beste niet-Engelstalige Film.

Nog in 2012 sleepte Kon-Tiki van Joachim Rønning, de film over Thor Heyerdahls epische oversteek van de Stille Oceaan op een houten vlot, een Oscarnominatie in de wacht. En raar maar waar … In de gehele geschiedenis van de Noorse cinema was de eerste Oscar die Noorwegen trouwens daadwerkelijk verzilverde die voor Beste Documentaire in 1951 … voor Kon-Tiki, over datzelfde vlot. The one and only Heyerdahl stond toen zelf in voor de regie.

Voorts liet ook de Noorse kortfilm zich niet onbetuigd, zowel in de Academy als aan deze kant van de oceaan: in 2006 won The Danish Poet van Toril Kove de Oscar voor beste kortfilm, en in datzelfde jaar ging de Palme d’Or naar Sniffer van Bobbie Peers. Sinds dat jaar spreekt men ook wel eens van ‘the new Norwave’: de Noorse cinema vond haar tweede adem en werd ambitieuzer dan ooit.

 

 

CINEMA LOCALE EN LITERATUUR

Even een crash course doorheen de Noorse filmgeschiedenis. De allereerste Noorse film verscheen in 1906. Het land had zich amper losgescheurd van grote broer Zweden of daar zag Dangers of a Fisherman’s Life het daglicht. In de decennia daarna werd cinema het populairste tijdverdrijf, hoewel filmmakers het vaak moeilijk hadden om na afronding van het ene project een nieuw op te starten. Dat had te maken met de wijze waarop de filmindustrie in Noorwegen georganiseerd was: op gemeentelijk niveau. Gevolg? De Noorse cinema opereerde lange tijd op veel kleinere schaal dan buurlanden Zweden en Denemarken.

 

Desondanks ontwikkelde zich toen toch een eigen traditie: vooral literaire adaptaties bleken toppers in eigen land, een trend die zich overigens nog steeds laat opmerken. Naast Headhunters zijn ook andere recente films als Max Manus: Man Of War (2008) van Joachim Rønning en Oslo, 31. August (2011) van Joachim Trier gebaseerd op een boek. Overigens, Trier is met z’n klinkende achternaam een ver familielid van die andere welgekende regisseur Lars Von Trier – maar die laatste is dan weer een Deen.

In de jaren '80 kreeg Noorse cinema het moeilijk in eigen land en was het vooral de Hollywoodmachine die het kijkgedrag van de modale Noor domineerde … en de gebreken van een cinemaregulatie op gemeentelijk niveau blootlegde. Want winst die normaal naar de filmindustrie zelf zou moeten gaan, kwam voordien steeds terecht bij de gemeentelijke besturen. Dat betekende dat elke filmmaker na het voltooien van een film zo goed als opnieuw van nul mocht beginnen, en dat terwijl investeerders niet stonden te springen om hun geld in de filmindustrie te pompen maar zich liever richtten op de bloeiende olie-industrie.

 

NU: SCHOLEN EN FONDSEN

Fast forward naar de huidige stand van zaken. Noorwegen is inmiddels een van de rijkste staten ter wereld en heeft een regering die z’n schouders zet onder de internationale profilering van het land op cultureel vlak. In 2001 werd The Norwegian Film Institute opgericht, waar ook The Norwegian Film Fund en The Norwegian Film Commission deel van uitmaken. Het Film Fund staat in voor de steun, de Commissie voor de internationale samenwerking.

Allereerst is er de nationale steun: de regering steunt nationale producties zodat zij zich kunnen meten met de Hollywoodmachine. Elk jaar verdeelt The Norwegian Film Fund zo’n 55 miljoen euro, en een goedgekeurd project krijgt gemiddeld zo’n 180.000 euro ter beschikking.

Daarnaast is nog steeds een belangrijke rol weggelegd voor regionale steun: Noorwegen telt zes regio’s die te vergelijken zijn met onze gemeenschappen. Vandaag worden die vertegenwoordigd door zes filmfondsen die audiovisuele producties in allerhande genres op weg helpen, zoals het Vlaams Audiovisueel Fonds dat bijvoorbeeld doet voor de Vlaamse Gemeenschap.

Ten derde biedt The Norwegian Film Institute ook steun aan veelbelovende filmmakers die al minstens één film hebben gemaakt, om hun volgende project te kunnen opstarten: de zogenaamde VIP-beurs. Zo ontving dit jaar o.a. de Noors-Palestijnse Iram Haq – wiens I Am Yours de officiële inzending voor de Oscars is - 25.000 euro voor zijn volgende film.

Ten slotte heeft ook de oprichting van The Norwegian Film School een impuls gegeven aan de Noorse cinema. Deze school legt bovendien de focus op film maken als een proces van samenwerking, en dat hoeft bijlange niet binnen de eigen landsgrenzen te blijven. Coproducties met andere landen worden aangemoedigd en komen ook veelvuldig tot stand. Al die impulsen hebben voor optimisme gezorgd in het land zelf: het aantal films dat de weg naar het buitenland vindt, neemt toe en ook qua technische bagage gaan de Noren erop vooruit.

 

 

KORTFILMS MET SCANDINAVIAN COOL

De Noorse kortfilm staat sterk op internationaal vlak. Een aparte sectie op de website van The Norwegian Film Institute lijst netjes op wanneer Noorse kortfilms op welk internationaal festival te zien zijn en hoeveel prijzen de regisseurs eventueel mochten incasseren. Ook het Internationaal Kortfilmfestival Leuven legt voor de nakende editie (2013) de focus op de Noorse kortfilm.

Zijn op het IKL 2013 te zien: een mix van genres, van een documentaire over een gefaald muzikant (Whateverest (2013) van Kristof Borgli) tot de ongemakkelijke eerste ontmoeting met schoonouders en de Noorse cultuur (Premature (2013) van Gunhild Enger). Ondanks de variaties in thema, hebben de films toch altijd de typische Scandinavian cool die hen onderscheidt: droge humor, uitgestrekte landschappen en steevast een zweem van mysterie en nostalgie.

 

 

 

 

WHAT-TO-SEE?

Zeker het bekijken waard op IKL is Joachim Triers Procter, z’n tweede kortfilm uit 2002, waarin een oude man een wagen met inzittende man ziet uitbranden in een parkeergarage, en in totale paniek de camera meegraait die het hele gebeuren geregistreerd heeft. Wat volgt is een obsessieve doch bevreemdende zoektocht naar de identiteit van de man en het mysterieuze meisje dat opduikt in de beelden. De camerabeelden van een alledaags ochtendritueel zijn desondanks ronduit fascinerend en de film slaagt erin om met een minimum aan informatie de kijker toch in spanning te houden. Wereldwijd behaalde Procter zeven prijzen, waaronder de Golden Plaque op het Chicago International Film Festival. Trier beweert zelf een zwak te hebben voor psychologische thrillers die toch sterk inspelen op de emotie, en de filmmaker slaagt er op knappe wijze in om die invloed in zijn eigen werk te integreren. Nu hij met Reprise (2006) en Oslo, 31. August succesvol de overstap naar langspelers heeft gemaakt, is hij met stip de one to watch.

 

Nog op het IKL-programma: Amor van Thomas Wangsmo. Op het eerste gezicht is dit een ietwat goedkoop uitziend verhaal over een man die zijn lichaam verkoopt. Al gaat Wangsmo daar al aan de haal met de verwachtingen van de kijker, want in tegenstelling tot de standaard gigolo verkoopt het hoofdpersonage zijn lijf aan andere mannen. Om hem voor het oog van hun bewonderende liefjes een stevige opdoffer te verkopen welteverstaan.

 

Om die zware brok te verteren is er het hoogst amusante Stop Blaming The Iceberg van Rune en Erik Eriksson, een animatiefilmpje dat een poging doet om de ijsberg waartegen de Titanic knalde in ere te herstellen. Dat kost u amper één minuutje, maar gegarandeerd levert het een veelvoud daarvan op in lachstuipen.

 

En Sniffer van Bobbie Peers, over een 1984-achtige maatschappij waarin de mensheid vreemd genoeg niet langer vatbaar is voor de zwaartekracht, zal voor de sciencefictionliefhebber een kolfje naar zijn hand zijn.

 

Voorts ook zeker de moeite – niet op IKL maar wel online - is het redelijk absurde maar geweldig gemaakte Alien Repair Guy van Alexander Somma, over een buitenaardse klusjesman die de stilgevallen motor van de aarde terug in gang moet steken maar zich ondertussen hartelijk amuseert met het mensenvolkje. En verder de eerder vermelde Oscarwinnaar The Danish Poet, een ontroerend relaas over een Deense dichter die zich, geïnspireerd door Kristin Lavransdatter, een van de grote literaire meesterwerken van de Noorse geschiedenis, naar het land in kwestie laat leiden en daar de liefde van zijn leven ontmoet. Prachtig en aandoenlijk naïef verteld door Ingmar Bergmanmuze Liv Ullman, overigens ook een Noorse.

 

 

WHAT’S THAT COMING OVER THE FJORD? IS IT… HOLLYWOOD?

Noorse cinema staat al een aantal jaren in bloei op filmfestivals, al hinken ze nog steeds achterop op het vlak van reguliere bioscoopreleases. Met zo veel potentieel in huis kan het echter niet anders of Hollywood comes a-runnin’. Niet dat er sprake is van een heuse brain drain, maar de schalkse blikken van over de Atlantische Oceaan hebben toch een aantal van de veelbelovende Noorse regisseurs verleid om het ook eens alginder te proberen. Tommy Wirkola – van de zombies, weet u nog – mocht niet minder dan Hansel & Gretel: Witch Hunters regisseren, en volgens de geruchten zou de volgende Pirates Of The Carribbean gemaakt worden met Joachim Rønning aan het roer. Niet slecht voor de zogenaamde koele kikkers van het Hoge Noorden. Dat Captain Jack Sparrow maar genoeg rum inslaat tegen frostbite.

 

 

Géraldine Beeckman